Bij iedere trip moeten
talrijke bruggen worden gepasseerd. Er wordt een onderscheid gemaakt
tussen vaste en beweegbare bruggen. Zowel in almanak 2 alsook op de
waterkaarten kunt u hieromtrent meer informatie vinden.
Almanak
2:
de
bruggen zijn aangegeven bij de betreffende plaats- en waternamen. De
doorvaarthoogtes zijn in meters en centimeters aangegeven.
Waterkaarten: vaste bruggen zijn gekenmerkt met de letter H, terwijl
beweegbare bruggen te herkennen zijn aan de letters BB. H staat voor
hoogte. Op de waterkaarten worden de doorvaarthoogtes in decimeters
weergegeven. Voorbeeld: H 34 = vaste brug met een doorvaarthoogte van
3,4 m. De doorvaarthoogte van een schip wordt vanaf de waterspiegel tot
het hoogste vaste punt berekend, dus zonder inklapbare of verwijderbare
delen zoals draagrekken, masten, dekken enz. Er moet nog extra met die
elementen rekening worden gehouden, wanneer ze voor de doorvaart van
een vaste brug niet worden ingeklapt of verwijderd.
De doorvaart wordt
bij beweegbare bruggen meestal door middel van lichtsignalen geregeld,
terwijl bij de vaste bruggen - vooral op de grotere waterwegen - de
bekende scheepvaarttekens zijn geplaatst: de rood/witte borden. In de
praktijk betekent dit, dat binnen de witte markeringen dient te worden
gevaren. Een geel bord betekent dat de brug vanuit beide richtingen mag
worden gepasseerd.
Bij veel gemeentelijke bruggen moet
bruggeld worden
betaald. De tarieven daarvan vindt u in almanak 2, maar staan ook bij de
betreffende bruggen aangegeven. De inning van het bruggeld geschiedt met
een klomp die aan een soort hengelstok is bevestigd en door de
brugwachter naar het passerende schip wordt neergelaten. Het is daarom
aan te raden om altijd voldoende muntgeld mee te nemen.
Sluizen
Afhankelijk van waar u bent, kan het voorkomen dat u ook sluizen moet
passeren. De hoogteverschillen zijn meestal echter slechts gering en
leveren daarom ook voor beginners nauwelijks problemen op. Lengte en
breedte van de sluizen staan vermeld in almanak 2 en op de waterkaarten.
Wanneer de sluiswachter daartoe aanwijzing geeft, mag de sluis worden
binnengevaren. In het hoogseizoen wordt iedere aanwezige centimeter
benut. Drie tot vier schepen naast elkaar is dan eerder regel dan
uitzondering. Het is daarom ook aan te raden al voordat de sluis wordt
binnengevaren al stootkussens te plaatsen en de lijnen gereed te houden.
(Let ook op aanwijzingen per luidspreker van het sluispersoneel).
Indien zich beroepsvaart in de sluis bevindt, moet er rekening mee
worden gehouden, dat het schroefwater van de grote schepen problemen kan
veroorzaken. Het is verstandig pas naar binnen te varen als alles weer wat tot rust is gekomen. Met
het uitvaren moet worden gewacht, totdat het vrachtschip de sluispoort
is gepasseerd. Belangrijk bij iedere sluispassage is, dat ieder
bemanningslid een vaste taak krijgt toegewezen (stootkussens, lijnen).
Bootshaken zijn een bron van gevaar. Ze zijn niet geschikt om zware
motor- of zeiljachten van een sluismuur weg te duwen
(buikverwon-dingen). Nooit de handen tussen schip en sluismuur houden
(kneuzingsgevaar). Nooit vanaf de boot op de sluismuur springen. Wie
uitglijdt raakt tussen sluismuur en schip. Men kan een jacht dusdanig
manoeuvreren dat men zonder problemen aan wal en weer aan boord kan
komen. Tip voor beginners: bij een vaste oever of in een havenbekken
oefenen, totdat men de slag te pakken heeft.
Beroepsvaart
Vooral op de
grotere waterwegen dient er rekening te worden gehouden met de
beroepsscheepvaart. Het kan er daarbij soms hectisch aan toe gaan. De
beroepsvaart heeft altijd voorrang. Blijf daarom altijd rechts varen,
dus aan stuurboordzijde. Denk eraan, dat de passagiers- en vrachtschepen
heel snel kunnen zijn. De stuurmannen van langzame schepen dienen dus
altijd bedacht te zijn op een "aanval" van achteren.
Regelmatig achteruit kijken is daarom een absolute noodzaak voor iedere
verantwoordelijke schipper. Binnenschepen kunnen afhankelijk van hun
diepgang een geweldige zog ontwikkelen, die niet mag worden onderschat.
De zijwaartse afstand tussen beroepsschip en oever is een belangrijke
factor. Hoe minder ruimte aanwezig is, des te moeilijker wordt het om
een klein schip op koers te houden. Wie niet veel ervaring heeft, dient
- voor zover dat moge-lijk is - zoveel mogelijk uit de buurt van
beroepsschepen te blijven. Houd er ook rekening mee, dat er na een
inhaalmanoeuvre van een vracht- of passagiers-schip, meestal golfslag
volgt. Vooral op kanalen, waar het water zich slecht kan verspreiden,
is dit bijzonder onaangenaam. Tegemoetkomende beroepsschepen leveren in
het algemeen nauwelijks moeilijkheden op. Indien een beroepsschip moet
worden ingehaald, moet men ook zeer voorzichtig zijn, want wanneer men
een 80 tot 100 meter lang vrachtschip wil inhalen, kunnen minuten -
voor het gevoel - uren lijken. Overtuig u er zelf goed van, dat er geen
ander schip is dat ook wil gaan inhalen en dat u geen ander vaartuig
direct tegemoet komt. Bij bottlenecks, bruggen, bochten, kruisingen,
mondingen en sluiskanalen mag beslist niet worden ingehaald. Natuurlijk
kijken ook beroepsschippers voortdurend achteruit. Dat is altijd de
gelegenheid om door middel van handgebaren de geplande manoeuvre aan te
kondigen. Indien het inhalen niet echt wil lukken, dient de
inhaalmanoeuvre te worden onderbroken. Dat geldt ook, wanneer het
beroepsschip sneller gaat varen.
Blauwe borden
Beroepsschepen voeren aan
stuurboordzijde een "blauw bord". Normaliter, dus wanneer het
schip rechts vaart, bevindt zich dit bord in neergeklapte, dus
horizontale positie. Pas wanneer de stuurman naar de andere kant wil,
wordt het bord getoond, dus in een verticale positie gebracht. Daarbij
begint ook nog een wit licht te knipperen. Dit gebeurt, wanneer twee
elkaar naderende beroepsschepen stuurboord op stuurboord willen
passeren. Men moet zich dit voorstellen als een soort van overgang naar
links varen. Op rivieren komen dit soort van manoeuvres vrij regelmatig
voor, omdat het afvarende schip van de stroming gebruik maakt, terwijl
het opvarende schip die zoveel mogelijk wil vermijden. In de typische
watersportgebieden wordt men relatief weinig met de "blauwe
borden" geconfronteerd. Voor de recreatieve scheepvaart is
bovendien meestal voldoende ruimte beschikbaar om ordelijk rechts te
varen. Wie echter op rivieren vaart en achter een beroepsschip aan
vaart, dient zelf ook deel te nemen aan dit wisselspel, want het spaart
tijd en brandstof.
Radio aan boord
Voor iedere marifoon is een
vergunning nodig. Bovendien moet de persoon die van het apparaat
gebruik maakt in het bezit zijn van een bedieningscertificaat. De
ingebruikname of het gebruik van een van bovengenoemde radiozend- en
ontvangapparaten zonder toestemming of vergunning is strafbaar. Ook
zijn portofoons op schepen korter dan 20 meter lengte niet toegestaan.
Vooral de grotere (zeil)jachten van Top of Holland hebben toegestane
radiozend- en ontvangstapparatuur aan boord. Het gebruik ervan is
toegestaan, indien men de beschikking heeft over een zendmachtiging.
GSM'etjes zijn nuttig, maar kunnen een scheepsradio nooit vervangen.

|